SciELO - Scientific Electronic Library Online

vol.58 issue2Innovative public sector education and training in a developing South Africa: the impact of and responses to globalisationWho are the good Samaritans? Characteristics of volunteers in South Africa author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Services on Demand



Related links

  • On index processCited by Google
  • On index processSimilars in Google


Tydskrif vir Geesteswetenskappe

On-line version ISSN 2224-7912
Print version ISSN 0041-4751

Tydskr. geesteswet. vol.58 n.2 Pretoria Jun. 2018 



Constructies met krijgen en kry: Een vergelijking vanuit (diachroon) constructiegrammaticaal perspectief


Constructions with krijgen and kry. A comparison from a (diachronie) constructionist perspective



Timothy Colleman

Universiteit Gent, Vakgroep Taalkunde. e-mail:




Zowel Nederlands krijgen als Afrikaans kry maken deel uit van verschillende constructies met een verbale aanvulling in de vorm van een voltooid deelwoord of infinitief, waarin krijgen/ kry gedeeltelijk geauxiliariseerd is. Dit artikel gaat vanuit een contrastief en (diachroon) constructiegrammaticaal perspectief in op de formele en semantische eigenschappen van die constructies. Aangetoond wordt dat de Afrikaanse resultatieve constructie met kry + voltooid deelwoord zich verder heeft ontwikkeld dan haar Nederlandse tegenhanger met krijgen + voltooid deelwoord. Daartegenover staat dat in het Nederlands een frequent gebruikt krijgen-passief is ontstaan dat in het Afrikaans niet echt van de grond is gekomen, en dat er in het hedendaagse Nederlands ook aanwijzingen zijn voor productief gebruik van een modale constructie met krijgen + te-infinitief. De data voor het onderzoek komen hoofdzakelijk uit het SoNaR-corpus en het Taalkommissiekorpus.

Trefwoorden: auxiliarisering, constructiegrammatica, diachrone constructiegrammatica, grammaticalisering, krijgen, kry, Nederlands vs. Afrikaans, receptieve werkwoorden, resultatieve constructie, semi-passief


Verbs of getting or receiving are a special sub-class of the verbs of transfer ofpossession in that, unlike more prototypical sub-classes such as verbs of giving and verbs of dispossession, they have a subject which is the tail rather than the head of the main action chain (cf. Newman 2005). Cross-linguistically, they constitute an interesting topic for linguistic analysis for several reasons, including "their susceptibility to semantic extension and also to grammaticalization" (Lenz & Rawoens 2012:1075).
The present article presents a corpus-based contrastive study of the basic verbs of receiving of Dutch and Afrikaans, i.e. krijgen and kry, respectively. More specifically, the focus is on a number of different constructions in which krijgen and kry are combined with a main lexical verb in the form of an infinitive or past participle and, thus, have at least partly auxiliarized. Data culled from the SoNaR-corpus of contemporary written Dutch and the corpus of the Language Commission of the South African Academy for Arts and Science allow for a comparison of the relative frequencies of these different patterns in present-day Dutch and Afrikaans and of their lexical and semantic ranges.
With regard to the constructions in which krijgen and kry are combined with a past participle, it can be observed that, in present-day Dutch, the "passive" krijgen + past participle pattern in which krijgen is typically combined with the past participle of a ditransitive verb (e.g. Hij krijgt een geschenk aangeboden "He is offered a present") occurs over three times more frequently than the "resultative" krijgen + past participle pattern (e.g. Hij krijgt het vuur geblust "He manages to extinguish the fire"). This is an interesting finding because the passive pattern is the younger of the two constructions: its earliest observed examples date back to around the turn of the 19th to 20th Century (cf. Colleman 2015), whereas the resultative krijgen-pattern has been part of the language since at least the 17th Century. Thus, the Dutch krijgen-passive has rapidly overtaken the resultative krijgen-pattern in token frequency. Nothing of this kind has happened in Afrikaans. The Afrikaans corpus data contain just a handful of examples in which kry + past participle seems to encode a passive rather than a resultative meaning, allowing for the conclusion that, even though the construction is not completely inexistent, "passive" kry has not taken off in Afrikaans. The few occurrences ofpassive kry + past participle seem to belong to two different marginal clusters of uses. The resultative kry + past participle pattern, on the other hand, has thrived in Afrikaans: it occurs with a wide variety of lexical verbs in the data, including intransitive and pseudo-transitive verbs (also see Molnárfi 1995, 1997), which are impossible in the equivalent Dutch construction. The difference between Afrikaans and Dutch is not limited to the presence vs. absence in this pattern of intransitive verbs, however: in addition, the Afrikaans construction also occurs with a wider set of transitive predicates, including atelic verbs and verbs which denote an activity that hardly has a noticeable effect on the direct object referent - that is, there are clear indications of host-class expansion in the sense of Himmelmann (2004). In Dutch, by contrast, the resultative krijgen + past participle pattern is still more closely related to the complex-transitive patterns from which it developed, i.e. it is restricted to cases where the subject acts to bring about a change-of-state in the direct object referent.
Both krijgen and kry also occur in a pattern with an infinitival rather than participial main verb. In Dutch, this infinitival pattern seems to be developing into a productive pattern encoding a modal meaning of permission or external obligation, at least for some speakers. In present-day Afrikaans, by contrast, kry + te-infinitive is an archaic and unproductive pattern, limited to just a handful of verbs (te doen(e) kry, te make kry, te ete kry, etc.).
In this way, the question whether it is Dutch krijgen or Afrikaans kry that has grammaticalized the furthest is impossible to answer, as it is phrased at the wrong level of granularity: some krijgen/kry + main verb patterns have developed further in Dutch than Afrikaans whereas in others, it is the other way around. Thus, the findings from the corpus-based investigation lend added support to the observation that grammaticalization does not merely seize a word, but an entire construction (cf. Lehmann 1992; Himmelmann 2004; Traugott & Trousdale 2013 etc).

Keywords: auxiliarization, construction grammar, diachronic construction grammar, Dutch vs. Afrikaans, grammaticalization, krijgen ("get"), kry ("get"), resultative construction, semi-passive, verbs of receiving




Tot de brede semantische klasse van de werkwoorden van (bezits)overdracht behoort naast de geven- en NEMEN-werkwoorden onder meer ook nog de subklasse van de krijgen- of receptieve werkwoorden, d.w.z. werkwoorden waarbij het subject géén agens noemt, maar een passief recipiens, dat iets ontvangt door toedoen van een andere persoon (zie bv. Newman 2005:153, die het subject van krijgen typeert als "the tail of the main action chain", terwijl geven en nemen "require a grammatical subject which is also the head of an action chain"). De prototypische vertegenwoordigers van de KRiJGEN-subklasse in het Nederlands en het Afrikaans zijn uiteraard krijgen en kry, die allebei behoren tot de meest frequente werkwoorden van de betreffende taal.2 Constructies met die prototypische receptieve werkwoorden vormen om verschillende redenen een interessant topic voor grammaticaal onderzoek; in de bewoordingen van Lenz en Rawoens (2012), in de inleiding tot een themanummer van het tijdschrift Linguistics over KRiJGEN-werkwoorden in verschillende Europese talen:

The selection of GET verbs as a research topic is motivated in several ways and can be explained by their high frequency, their formal and semantic complexity, their high variability in intra- and interlingual comparisons and (from a historical or panchronic perspective) their susceptibility to semantic extension and also to grammaticalization. (Lenz & Rawoens 2012:1075)

Deze studie is dan ook niet het eerste onderzoek dat is gewijd aan krijgen en/of kry. Voor het Nederlands kunnen we verwijzen naar o.m. Hoekstra (1984), De Schutter (1989), Broekhuis en Cornips (1994, 2013), Landsbergen (2006, 2009), Van Leeuwen (2006) en Colleman (2015, 2016); in dat bestaande onderzoek komen uiteenlopende formele en semantische eigenschappen van krijgen aan de orde, maar de focus ligt vooral op de grammaticale status en de lexicale mogelijkheden van de "(semi)passieve" of "receptieve" constructie met krijgen + voltooid deelwoord (bv. Hij kreeg een geschenk aangeboden). Voor het Afrikaans zijn er twee studies van Molnárfi (1995, 1997) over (hoofdzakelijk) constructies met kry + voltooid deelwoord, die ook een aantal contrastieve opmerkingen bevatten over verschillen met formeel verwante constructies in het Nederlands en het Engels.3 De huidige studie verschilt van dat bestaande contrastieve onderzoek in drie belangrijke aspecten: (i) de focus ligt niet alleen op constructies met een voltooid deelwoord, maar ook op constructies waarin krijgen/kry wordt gecombineerd met een infinitief; (ii) het onderzoek is corpusgebaseerd: de formele en semantische eigenschappen van de onderzochte constructies worden in kaart gebracht op basis van data uit het SoNaR-corpus en het Taalkommissiekorpus; (iii) de theoretische insteek is die van de (diachrone) constructiegrammatica. Op dat laatste aspect wordt nader ingegaan in paragraaf 2, waarin ook de beperking tot constructies waarin krijgen/kry een werkwoordelijke aanvulling krijgt kort wordt gemotiveerd. Daarna volgen twee uitgebreide paragrafen over respectievelijk constructies met een voltooid deelwoord (par. 3) en met een infinitief (par. 4). Paragraaf 5 bundelt de conclusies en een aantal suggesties voor vervolgonderzoek.



2.1 De constructiegrammatica en de diachrone toepassing ervan

Constructiegrammatica is een verzamelterm voor een aantal theoretische benaderingen van de grammatica die als fundamenteel uitgangspunt de aanname delen dat de volledige grammatica de vorm aanneemt van een gestructureerd netwerk van geconventionaliseerde vorm-betekenisparen, dat zijn dan "constructies" in de specifiek constructiegrammaticale zin des woords (zie bv. Fillmore 1988; Goldberg 1995, 2006; Croft 2001; Boas & Sag 2012).4Constructies kunnen volledig schematisch zijn, wat betekent dat ze de vorm aannemen van een constellatie van lege slots, die in concrete taaluitingen allemaal opgevuld moeten worden met passend lexicaal materiaal: een bekend voorbeeld is de dubbelobjectconstructie, die de volledig schematische vorm [Subj [V Obj1Obj2]] koppelt aan een algemene cause-receive-betekenis (zie Goldberg 1995; Colleman 2009, en vele anderen). Aan het andere uiteinde van het spectrum staan vorm-betekenisparen die volledig lexicaal gevuld zijn, d.w.z. morfemen, woorden en vaste uitdrukkingen. Vele constructies bevinden zich ergens tussen die twee uitersten in en bestaan uit een combinatie van open en gevulde slots: zo stelt Colleman (2015) de Nederlandse (semi-)passieve kr/jgen-constructie voor als een argumentstructuurconstructie met de vorm [Subj [krijgen Obj (van/door NP) V p]]. In tegenstelling tot in de dubbelobjectconstructie, ligt de invulling van het werkwoordslot hier vooraf gedeeltelijk vast, d.w.z. de werkwoordgroep bestaat uit een combinatie van krijgen met het voltooid deelwoord van een passend zelfstandig werkwoord. Verderop in dit artikel zullen verschillende zulke grotendeels schematische vorm-betekenisparen met krijgen en kry worden onderscheiden.

Daarbij zal niet enkel aandacht worden besteed aan de eigenschappen van de krijgen/ kry-constructies in kwestie in het hedendaagse Nederlands en Afrikaans, maar ook aan de diachrone ontwikkeling ervan, in zoverre we die kunnen reconstrueren uit de beschikbare data. De laatste jaren is er binnen het constructiegrammaticale onderzoek veel aandacht geweest voor taalverandering, d.w.z. verschillende auteurs hebben zich toegelegd op de beschrijving van variatie in de tijd in de eigenschappen van individuele constructies en/of in de structuur van het constructionele netwerk. Fundamentele publicaties waarin gereflecteerd wordt op de meerwaarde van een constructiegebaseerd perspectief voor de analyse van grammaticale taalverandering zijn Fried (2013), Traugott en Trousdale (2013), Hilpert (2013) en Barddal en Gildea (2015). Een bekend terminologisch onderscheid waarnaar in wat volgt zal worden verwezen, is het door Traugott en Trousdale (2013) geïntroduceerde verschil tussen constructionalisering aan de ene en (gewone) constructionele verandering aan de andere kant. Constructionalisering is het ontstaan van een nieuwe constructie, dus de toevoeging van een nieuw vorm-betekenispaar aan het constructionele netwerk. Gewone constructionele veranderingen zijn formele of semantische aanpassingen in bestaande constructies, waarbij er dus geen nieuwe knoop in het constructionele netwerk ontstaat.

2.2 Auxiliarisering

Het meest gewone gebruik van zowel krijgen als kry is het gebruik als zelfstandig werkwoord in een monotransitieve constructie met een subject en een direct object, zoals in (1) en (2).5

(1) a. Hij mocht gratis binnen, kreeg een catalogus, het boek 'Superhuman Crew' en een cd van Bob Dylan. (SoNaR)

b. Zo 'er niemand is die tyd heeft omje te helpen [...] neem dan geduld, en gaa wat ander speelgoed krygen, want huilen helpt er toch niet aan. (W.E. de Perspocher, Onderwys voor kinderen, 1785)

(2) a. Hy kry 'n maandelikse ouderdomspensioen uit Kanada. (TK, kranten)

b. Daar is nie 'n kraan naby nie. Die bouers moet glo elke keer na iemand se huis gaan om water te kry. (TK, kranten)

Ook m.b.t. dat monotransitieve gebruik zijn er interessante verschillen tussen Nederlands krijgen en Afrikaans kry. Niet toevallig is (1b) een wat ouder voorbeeld: terwijl transitief krijgen vroeger zowel agentief als niet-agentief gebruikt werd - dus zowel situaties kon benoemen waarin het subject het direct object actief verwerft als situaties waarin het subject een louter passieve ontvanger is - is in het hedendaagse Nederlands enkel de passieve 'ontvangen'-betekenis overgebleven (een aantal relicten van het agentieve gebruik niet te na gesproken, zoals Ik krijg jullie nog wel!); zie Landsbergen (2009: 88-100) voor een corpusgebaseerd overzicht van dat proces van betekenisspecialisatie bij lexicaal krijgen, dat volgens zijn data al grotendeels voltooid was tegen de 18de eeuw. Krijgen wordt nog wel agentief gebruikt in zgn. complex-transitieve constructies met een adjectivische of voorzetselconstituent die de plaats noemt waar of de toestand waarin het direct object door toedoen van het subject terechtkomt, zoals in (3); zie ook (4) voor vergelijkbare voorbeelden met kry.

(3) a. Een aantal jaren geleden witte eetkamerstoelen gekocht. Nu zijn ze dus niet meer wit, hoe krijg ik ze schoon?? (SoNaR, discussieforums)

b. Grivegnee kreeg de bal niet uit dezestien en na geharrewar kon Sucaert binnenduwen. (SoNaR)

(4) a. "Kom," sê sy en skuif verby my, "die wasgoed moet van die draad af, die kinders moet wakker gemaak en gereed gekry word." (TK, kortverhalen)

b. Kom ons staan saam en kry hom uit die parlement, want hy is nie werd om 'n minister te wees nie. (TK, kranten)

In het Afrikaans is de agentieve 'verwerven'-betekenis van gewoon monotransitief kry veel beter bewaard gebleven, zie (2b) hierboven, waarvoor in het Nederlands enkel een parafrase met halen of een ander agentief werkwoord zou passen. Een ander verschil is dat Afrikaans kry ook geregeld wordt gebruikt met de betekenis 'aantreffen', zoals in (5); ook dat is een betekenis die in het hedendaagse Nederlands niet voorkomt.

(5) Klein Ryszard is net sewe jaar oud, en ons kry hom in sy klaskamer in Pisk, sy geboortedorp. Die jaar is 1939. (TK, kranten)

Ik zal in deze bijdrage echter niet nader ingaan op betekenisontwikkelingen van krijgen en kry als zelfstandige, lexicale werkwoorden. In plaats daarvan wordt ingezoomd op een aantal gebruikswijzen waarin krijgen/kry een verbinding aangaat met een ander werkwoord: met een voltooid deelwoord zoals in (6) en (7), of met een infinitief zoals in (8) en (9).

(6) a. Het was de overbuur die het vuur opmerkte en dezaak geblust kreeg met water uit de tuinslang. (SoNaR)

b. Toch wil ik ervoor pleiten dat alle zwangere vrouwen een prenatale bloedtest krijgen aangeboden. (SoNaR)

(7) Jy was die eerste Survivor ooit om 'n vuur gemaak te kry sonder vuurhoutjies of 'n vuursteen. (TK, kranten)

(8) Een brandweerman die hondenvoer te eten kreeg van collega's, heeft in de VS 2,1 miljoen euro schadevergoeding gekregen. (SoNaR)

(9) Klaarblyklik het Copernicus nooit hierdie voorwoord te lese gekry nie. (TK, nonfictie, boeken)

Het is immers in zulke gebruikswijzen dat het potentieel van KRUGEN-werkwoorden voor grammaticalisering het duidelijkst tot uitdrukking komt. Krijgen/kry zijn hier minstens ten dele geauxiliariseerd, d.w.z. ze hebben zich ontwikkeld van een zelfstandig gebruikt lexicaal werkwoord tot een werkwoord met functioneler betekenis dat een ander, zelfstandig werkwoord als aanvulling krijgt. Auxiliarisering wordt door Kuteva (2001:2) gedefineerd als "[the] process of complex lexical verb structures developing over time into auxiliary grammatical structures, with all its accompanying semantic, morphosyntactic, and phonological changes"; het is te beschouwen als een subtype van grammaticalisering. De focus ligt in deze bijdrage dus op overeenkomsten en verschillen in de mate waarin krijgen en kry gegrammaticaliseerd zijn.

Voor we overgaan tot de nadere bespreking van de constructies met resp. een voltooid deelwoord en een infinitief als verbale aanvulling, volgen tot besluit van deze subparagraaf nog twee algemenere opmerkingen. Ten eerste is auxiliarisering een gradueel proces, zoals ook in het citaat van Kuteva (2001) hierboven wordt beklemtoond. Dat betekent dat het niet noodzakelijk zo is dat krijgen en kry in alle hier besproken constructies als volwaardige hulpwerkwoorden mogen gelden, even sterk gegrammaticaliseerd als, pakweg, de passieve hulpwerkwoorden worden en word. Vooral in de literatuur over het Nederlands is de grammaticale status van krijgen als hoofd- dan wel (volwaardig) hulpwerkwoord een punt van discussie, zoals verderop nog zal blijken.

Ten tweede zijn de mogelijkheden niet uitgeput met de constructies in (6) tot (9) hierboven. In het Nederlands bestaat bijvoorbeeld ook nog een constructie met krijgen plus korte infinitief, zoals in het Internetvoorbeeld (10), die echter veel beperkter voorkomt dan de constructies in (6) en (8) en waar hier dan ook niet verder op ingegaan wordt (zie bv. wel Broekhuis & Corver 2015: 934).6 Voor het Afrikaans kunnen we nog verwijzen naar de constructie met een bezittelijk voornaamwoord en een genominaliseerde infinitief in (11), die geen pendant heeft in het Nederlands: hoewel kry hier strikt genomen een nominale en geen verbale aanvulling krijgt (cf. het bezittelijk voornaamwoord) is ook hier de lexicale betekenis verbleekt ten gunste van een meer functionele, in dit geval inchoatieve betekenis. Ook hier zijn de verbindingsmogelijkheden beperkt: naast sy ry kry ('beginnen te rijden') onder meer ook nog sy sit kry ('gaan zitten'), sy lê kry ('gaan liggen'), sy loop kry (o.m. 'op gang komen, beginnen te lopen').

(10) Ik hoop vooral van harte dat mensen die kinderen uit Haïti in hun buurt krijgen wonen de drang naar informatie over de kinderen kunnen laten voor wat het is. <>

(11) Toe Dwerg bedaar het en klaar gevoed is, pak hulle die kombi en kry hulle ry. (TK, romans)



3.1 Twee Nederlandse constructies met krijgen + voltooid deelwoord

Zoals blijkt uit de voorbeelden in (6) hierboven, komen er in het Nederlands twee verschillende constructies voor met krijgen + voltooid deelwoord. (6a) is een voorbeeld van resultatief krijgen, (6b) van de constructie die bekend staat als het semi-passief, de receptieve constructie of het kr/jgen-passief. In wat volgt, zal ik die laatste benaming gebruiken - overigens zonder daarmee te willen suggereren dat krijgen even sterk geauxiliariseerd is als het "gewone" passieve hulpwerkwoord worden.

De betekenis van de resultatieve constructie kan worden geparafraseerd als "Subject slaagt erin Object te (laten) V-en", waarbij op de plaats van V uiteraard het werkwoord moet worden ingevuld dat als voltooid deelwoord verschijnt. In (6a) is het subject van krijgen tegelijk het agens van het voltooid deelwoord, maar dat hoeft niet het geval te zijn: in (12a) spant het subject van krijgen, i.c. Kossmann, zich wel in om ervoor te zorgen dat iets aanvaard wordt, maar het is niet Kossmann zelf die het aanvaarden uitvoert; zoals geïllustreerd in (12b) is het in zulke gevallen ook mogelijk om het agens van het voltooid deelwoord expliciet te noemen in een door-constituent.

(12) a. Na enige aarzeling kwam Kossmann met een nieuw onderwerp 'The Dutch Revolt ' en kreeg dat aanvaard. (SoNaR)

b. Ten eerste wilde ik de commissaris vragen hoeveel kans hij denkt te hebben om dit door de Commissie aanvaard te krijgen. (SoNaR)

Over de syntactische status van resultatief krijgen bestaat enige onduidelijkheid. Zowel in de ANS als in de Syntax of Dutch wordt krijgen als het hoofdwerkwoord van de constructie beschouwd en het voltooid deelwoord als een predicatief complement (cf. ANS 1997:962; Broekhuis & Corver 2015:1015-17). In die optiek zijn de zinnen in (6a) en (12) niet fundamenteel verschillend van die in (3) hierboven: het enige verschil is dat de toestand waarin het direct object door toedoen van het subject wordt gebracht, benoemd wordt door een (adjectivisch) voltooid deelwoord in plaats van door een adjectief of voorzetselgroep. Het sporadische voorkomen van zinnen waarin krijgen in de werkwoordelijke eindgroep voorafgaat aan het voltooid deelwoord, zoals in (13) is een mogelijk tegenargument voor die visie: die volgorde is bij adjectivische elementen immers onmogelijk (bv. *dat ik de lakens niet kreeg schoon) en suggereert dus dat het deelwoord van de krijgen-constructie wel degelijk verbaal is. Daar moet echter meteen aan worden toegevoegd dat zinnen van het type (13) te schaars zijn om van echte volgordevrijheid te spreken (zie ook de corpusdata verderop in deze paragraaf). Ik ga binnen dit bestek niet verder op die kwestie in.

(13) a. Of de president dit plan nog bijtijds door het Congres krijgt goedgekeurd, wordt sterk betwijfeld. (SoNaR)

b. De vraag is dus, zei ik, hoe we het geld daarvoor uit die oudjes krijgen geperst. (SoNaR)

In de passieve constructie met krijgen + voltooid deelwoord is er wel degelijk volgordevrijheid, en mede daarom wordt het passieve krijgen in bv. de Syntax of Dutch wel degelijk als een echt hulpwerkwoord beschouwd (cf. Broekhuis, Corver & Vos 2015: 443-453; Broekhuis & Corver 2015: 974-976). Zie (14) voor corpusvoorbeelden van beide volgorden en zie Colleman en Rens (2016) voor een verkennend corpusonderzoek waaruit blijkt dat de relatieve frequentie van de volgorde met het voltooid deelwoord achteraan is toegenomen in de loop van de 20ste eeuw.

(14) a. Toen ze uiteindelijk de trofee overhandigd kreeg, stak ze die zo wild in de lucht, dat het deksel er afviel. (SoNaR)

b. Samen met presentator Jelle Cleymans rende hij naar het podium, waar hij zijn trofee kreeg overhandigd door Lindsay, de winnares van vorig jaar. (SoNaR)

c. Deze alinea's zijn uit het boek 'Voetbal heeft meer dan twee doelen' dat premier Balkenende maandag krijgt overhandigd van een aantal kinderen. (SoNaR)

In de passieve kri/gen-constructie wordt het voltooid deelwoordslot in de grote meerderheid van de gevallen gevuld door een ditransitief werkwoord dat in actieve zinnen een subject, een direct object en een indirect object bij zich kan krijgen. Het subject van het krjgen-passief heeft niets agentiefs meer, maar benoemt dezelfde semantische rol als het indirect object in actieve (bv. Ze overhandigden (aan) de winnaar een trofee) of "gewone" passieve zinnen (d.w.z., met het passief hulpwerkwoord worden/zijn, bv. De trofee werd (aan) de winnaar overhandigd): de constructie biedt de taalgebruiker dus de mogelijkheid om een overdracht voor te stellen vanuit het perspectief van de ontvanger in plaats van dat van het agens zoals in de actieve dubbelobjectconstructie of dat van het patiens zoals in het worden-passief. Het agens kan onvermeld blijven (14a) of gemarkeerd worden door door (14b) of door van (14c).

Het krijgen-passief is een jongere constructie dan de resultatieve constructie. Resultatieve krijgen-zinnen met een voltooid deelwoord kwamen in elk geval al (beperkt) voor in de 17deeeuw, zie Landsbergen (2009:101) voor enkele voorbeelden - de constructie heeft zich wellicht ontwikkeld uit complex-transitieve gebruikswijzen met een adjectief, waarbij bij uitstek adjectivische voltooid deelwoorden als bv. gevangen wellicht als tussenschakel hebben gefungeerd. De oudste voorbeelden van het kri/gen-passief die tot nu toe zijn opgetekend in de grammaticale literatuur dateren daarentegen pas van rond het jaar 1900 (zie Colleman 2015 voor details). Landsbergen (2009:104-105) veronderstelt dat het krijgen-passief zich heeft ontwikkeld vanuit resultatieve zinnen waarin het subject van krijgen niet tevens het agens van het voltooid deelwoord is, zoals (12b) en (13a) hierboven, door de semantische heranalyse van het subject als een loutere ontvanger/begunstigde van de uitgedrukte gebeurtenis in plaats van als iemand die zich inspant om de gebeurtenis te bewerken. In de loop van de 20ste eeuw vertoont de passieve krijgen-constructie een sterke toename in zowel type- als tokenfrequentie. In de corpusdata van Colleman (2015) neemt de genormaliseerde frequentie ervan toe van (afgerond) één attestatie per miljoen woorden tekst in de oudste subperiode (1900-1904) tot 76 attestaties per miljoen woorden in de meest recente data (uit 1998). De resultatieve krijgen-constructie was in het begin van de 20ste eeuw met afgerond 10 voorkomens per miljoen woorden tekst nog tien keer zo frequent als de semi-passieve en tekent in de data uit 1998 nog voor 6,5 attestaties per miljoen woorden, zodat de verhoudingen helemaal zijn omgekeerd. Tegelijk met de toename in tekstfrequentie breidt het semi-passief zich in de loop van de 20ste eeuw ook uit naar meer en meer (subtypes van) ditransitieve werkwoorden - dit is een voorbeeld van "host class expansion" (Himmelmann 2004), een type verandering dat in het model van Traugott en Trousdale (2013) wordt gepresenteerd als een typisch voorbeeld van het soort semantische veranderingen dat zich in een nieuwgevormde constructie kan voordoen na de eigenlijke constructionalisering ("post-constructionalization semantic change") (zie Colleman 2015 en 2016 voor uitgebreider discussie, ook van de overblijvende lexicale en semantische restricties op de constructie).

Samengevat, het hedendaagse Nederlands beschikt over twee verschillende geconven-tionaliseerde vorm-betekenisparen met krijgen+voltooid deelwoord: de resultatieve constructie koppelt de schematische vorm [Subj [krijgen Obj (door NP) Vpastpart]] aan de betekenis "Subj slaagt erin Obj te (laten) V-en (door NP)" en de passieve constructie koppelt de vorm [Subj [krijgen Obj (van/door NP) Vpastpart]] aan de betekenis "NP V-t Obj aan Subj". De constructies trekken deels verschillende sets van zelfstandige werkwoorden aan, en ze vertonen ook subtiele formele verschillen (de mogelijkheid van van als markeerder van het agens en de grotere volgordevrijheid in de werkwoordelijke eindgroep in het krijgen-passief). De resultatieve constructie bestond al in het vroege Nieuwnederlands en zal dus hoogstwaarschijnlijk deel hebben uitgemaakt van de Nederlandse basis van het Afrikaans, de passieve constructie daarentegen heeft zich pas in een later stadium ontwikkeld.

3.2 Molnárfi (1995, 1997) over kry + voltooid deelwoord

Het Afrikaans kent volgens Molnárfi (1995, 1997) nauwelijks een kry-passief. Zinnen als die in (15) hieronder hebben een "baie lae grammatikaliteitsgraad" terwijl hun Nederlandse (en Duitse) equivalenten perfect zijn (Molnárfi 1995:112).

(15) a. ?? Die NP kry deur INFL kasus toegewys.

b. ?? Die publiek kry die verkiesingsdatum in die Beeld aangekondig. (geconstrueerde voorbeelden met bijhorende grammaticaliteitsoordelen uit resp. Molnárfi 1995:112, 123)

De constructie met resultatief kry is dan weer heel gebruikelijk. Molnárfi (1995, 1997) wijst erop dat in die constructie niet enkel voltooid deelwoorden van transitieve zelfstandige werkwoorden voorkomen (16a), maar ook van zowel intransitief gebruikte pseudotransitiva (16b) als echte intransitiva (16c).

(16) a. Ek kry die boek gelees/die geld gespaar.

b. Ek kry gelees/gespaar.

c. Ek kry geslaap.

Molnárfi (1995:114-118) poneert, vanuit een formeel-syntactisch perspectief, een structureel verschil tussen (16a) enerzijds en (16b,c) anderzijds. In (16a) is kry het hoofdwerkwoord van een constructie met een small clause-complement; het ingebedde deelwoord is dan het predicaat van de small clause - die analyse is vergelijkbaar met de analyse die in onder meer de Syntax of Dutch voor resultatief krijgen in het Nederlands wordt voorgesteld, zie hierboven. In (16b,c) daarentegen fungeert kry als een modaal semi-hulpwerkwoord en is het voltooid deelwoord hoofdwerkwoord van de constructie: enkel in die gevallen is kry voor Molnárfi geauxiliariseerd. Met het verschil in syntactische structuur correspondeert een semantisch verschil: terwijl (16a) een "tweefasige" betekenis heeft (bv. "Ek bring teweeg dat die boek (tot die einde) gelees word"), past een vergelijkbare parafrase niet voor (16b) en (16c) - d.w.z., het is daar niet zo dat het subject veroorzaakt dat iets gelezen, gespaard, geslapen wordt, of anders gezegd, het deelwoord wordt daar niet geprediceerd van een andere in de situatie betrokken entiteit. We zullen hieronder terugkomen op dat geponeerde verschil in syntactische en semantische structuur.

3.3 De compilatie van Nederlandse en Afrikaanse datasets met krijgen/kry + voltooid deelwoord

Zowel Molnárfi's (1995, 1997) studies van kry als een groot deel van de grammaticale literatuur over Nederlands krijgen is louter gebaseerd op introspectie. Om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden van de constructies met voltooid deelwoord, werd voor beide talen een uitgebreide dataset samengesteld op basis van respectievelijk het SoNaR-corpus en het Taalkommissiekorpus, aan de hand van de zoekopdrachten in (17) en (18), die gebruik maken van de automatische woordsoortinformatie waarmee beide corpora verrijkt zijn.7

(17) Nederlandse zoekopdrachten

a. [lemma="krijgen"][[pos="WW.vd.*"]

b. [pos="WW.vd.*"][lemma="krijgen"]

c. [pos="WW.vd.*"]["te"]["krijgen"]

(18) Afrikaanse zoekopdrachten

a. [pos="WW.ongemarkeerd.hoof.*"][lemma="kry"]

b. [pos="WW.gemarkeerd.hoof.*"][lemma="kry"]

c. [pos="WW.ongemarkeerd.hoof.*"]["te"][lemma="kry"]

d. [pos="WW.gemarkeerd.hoof.*"][lemma="kry"]

Voor het Nederlands werd gezocht naar strings waarin een vorm van krijgen onmiddellijk werd gevolgd of voorafgegaan door een willekeurig voltooid deelwoord; in de volgorde met krijgen achteraan werd ook nog de mogelijkheid opengehouden van een tussenliggend partikel te (bv. om een loonsverhoging aangeboden te krijgen). Voor het Afrikaans moest door de grotere volgordevastheid in de werkwoordelijke eindgroep slechts naar één volgorde gezocht worden, maar daar staat tegenover dat in de woordsoortinformatie in het Taalkommissiekorpus geen afzonderlijke subcategorie voor het voltooid deelwoord is voorzien, zodat zowel naar gemarkeerde als naar ongemarkeerde vormen van een hoofdwerkwoord moest worden gezocht (waardoor bv. wel strings als sal kry of het gekry werden uitgesloten, waarin het eerste werkwoord als hulpwerkwoord is gelabeld); ook in het Afrikaans werd de mogelijkheid van een tussenliggend te opengehouden. Voor het Afrikaans werd het volledige Taalkommissie-corpus doorzocht, voor het Nederlands werden de zoekopdrachten beperkt tot een deel van de component krantentaal (nl. alle Nederlandse kranten plus de Vlaamse krant De Standaard).

Deze zoekmethode volstaat uiteraard niet om alle voorkomens van de constructies met krijgen/kry+ voltooid deelwoord op het spoor te komen, maar enkel die waarin krijgen/kry deel uitmaakt van de werkwoordelijke eindgroep. Dat is echter geen bezwaar: de bedoeling is om aan de hand van een representatieve set van voorbeelden een betrouwbaar beeld te krijgen van (i) de relatieve frequenties waarmee de verschillende constructies voorkomen in het reële, hedendaagse taalgebruik en (ii) de types van werkwoorden waarmee ze voorkomen. De resultaten van de automatische zoekopdrachten in (17) en (18) moesten uiteraard manueel worden gefilterd om ruis te verwijderen: zinnen waarin krijgen en het voltooid deelwoord geen deel uitmaken van dezelfde deelzin (bv. Wie werd betrapt kreeg een gevangenisstraf van een halfjaar), zinnen waarin aan het aan krijgen voorafgaande woord onterecht het POS-label voltooid deelwoord is toegekend (bv. Geregeld krijgt haar verpleeghuis conflicten met familieleden), voor het Afrikaans uiteraard ook zinnen waarin het ongemarkeerde hoofdwerkwoord dat aan kry voorafgaat géén voltooid deelwoord is (bv. Wat gaan jy daar te sien kry?; zie daarover par. 4), enzovoort.

Een bijzondere categorie van zinnen die we nog moeten noemen, wordt geïllustreerd in (19). In beide talen kan krijgen/kry voorkomen met een voltooid deelwoord gebruikt als bepaling van gesteldheid, d.w.z. dat de toestand specificeert waarin het subject het direct object heeft ontvangen (of in het Afrikaans ook aangetroffen, zoals in 19a). De resultaten van de Afrikaanse zoekopdrachten bevatten een vijftal zulke voorbeelden; bij de Nederlandse resultaten zaten toevallig geen zulke voorbeelden, maar zie (19b) voor een voorbeeld van het Internet. Zulke zinnen zijn geen voorbeelden van de resultatieve of passieve constructie met krijgen/kry + voltooid deelwoord: het voltooid deelwoord fungeert in (19) als een bepaling in een gewone, monotransitieve constructie met het lexicale werkwoord krijgen/kry.

(19) a. Hy het uiteindelik self na die polisiekantoor gery, waar hy die hekke gesluit gekry het. (Taalkommissiekorpus, kranten)

b. Wat moet ik doen als ik een retourmelding heb ontvangen, maar het pakket niet of beschadigd heb gekregen? (

Na de manuele filtering bleven uiteindelijk datasets over van 490 zinnen met kry + voltooid deelwoord voor het Afrikaans en van 2 492 zinnen met krijgen + voltooid deelwoord voor het Nederlands; zie Tabel 1 voor een overzicht.

3.4 Enkele belangwekkende verschillen

Uit de dataset is veel informatie af te leiden over het precieze lexicale en semantische bereik van de passieve krijgen-constructie in het hedendaagse Nederlands en over de relatie tussen de twee volgorden in de werkwoordelijke eindgroep (merk bijvoorbeeld op dat er ook voor de resultatieve constructie inderdaad een handvol voorbeelden is geattesteerd met de alternatieve volgorde met krijgen vóór het voltooid deelwoord). Ik beperk me in dit bestek echter tot de bespreking van een aantal interessante verschillen tussen het Nederlands en het Afrikaans.

Ten eerste wordt bevestigd dat in het hedendaagse Nederlands de passieve constructie met krijgen + voltooid deelwoord een stuk frequenter is dan de resultatieve constructie, terwijl in het Afrikaans net de overgrote meerderheid van de attestaties resultatief is: de Afrikaanse dataset bevat slechts een klein aantal passieve voorbeelden, die verderop in deze paragraaf nader worden bekeken.8 Bij de resultatieve voorbeelden van kry + voltooid deelwoord zitten enkele voorbeelden met een intransitief voltooid deelwoord, waaronder die in (20).

(20) a. Een van my oorsese vriende, (die topverkoper) Michael Connely, het my aange-raai om te probeer, anders gaan ek nooit geskryf kry nie. (TK, kranten)

b. Hoe sy gewerk kry in die spits hoëhakskoentjies is 'n bron van ernstige bespreking onder ons vrouens. (TK, romans)

c. Sy kan nie na hom gekyk kry nie. (TK, kranten)

In totaal bevat de Afrikaanse dataset tien resultatieve voorbeelden zonder direct object, met acht verschillende pseudotransitieve of intransitieve werkwoorden (naast de werkwoorden in 20 ook nog betaal, doen, fokus, loop, praat). Dat bevestigt dat die mogelijkheid bestaat in het hedendaagse Afrikaans, al laten de cijfers tegelijk ook zien dat er relatief zelden gebruik van wordt gemaakt. In de Nederlandse dataset zit geen enkel resultatief voorbeeld zonder direct object.

Het verschil tussen het Afrikaans en het Nederlands is echter groter dan louter de aan- of afwezigheid van voorbeelden zonder direct object. In de Afrikaanse voorbeelden in (21) hieronder staat telkens wel degelijk een direct object, maar toch zou ook hier geen Nederlandse vertaling met krijgen + voltooid deelwoord mogelijk zijn. Dat komt doordat de situaties in kwestie een lage graad van teliciteit hebben, d.w.z. geen natuurlijk eindpunt hebben. In het Nederlands is de resultatieve constructie met krijgen nog beperkt tot situaties waarin het direct object een duidelijke toestandsverandering ondergaat: het direct object verkeerde eerst niet in de toestand uitgedrukt door het voltooid deelwoord en na afloop van de beschreven handeling wel. In (21) is van zulke toestandsveranderingen geen sprake: het gaat ofwel om een toestand of voortdurende handeling die enige tijd volgehouden of in stand gehouden wordt (zoals in 21a, b en c) ofwel om een handeling die nauwelijks een effect heeft op de referent van het direct object (zoals in 21d en e). Voor (21c), bijvoorbeeld, zou in het Nederlands enkel een parafrase met kunnen (blijven) sturen passen - of een alternatief zonder hulpwerkwoord, zoals op koers houden - omdat het schip geen duidelijke verandering ondergaat, niet van de toestand [-gestuurd] in de toestand [+gestuurd] wordt gebracht. Men kan een schip eventueel wel omgestuurd krijgen, waarbij om de verandering benoemt, maar niet gewoon gestuurd krijgen.

(21) a. [Lauren Bacall] het in die middel 1940's haar eerste treë na die silwerdoek gegee. Sy het deur die jare 'n ongelooflike uithouvermoë in die rolprentbedryf getoon gekry. (TK, kranten)

b. Daar moet 'n paar honderd mense gewees het, dit was skoolvakansie ook, 'n regte uitstappie-dag. Hy en sy niggie het drie kinders gehad om na te kyk, hul hande vol gehad om hulle bymekaar gehou te kry. (TK, romans)

c. 'n Gewone matroos het agter die roerganger aan die kolderstok gehang; een man was te min om die sware skip gestuur te kry. In 'n storm moes daar tot vier aan die stok hang en beur, het Anthonie gesê. (TK, romans)

d. Hier is sjimps, maar dit is glo onmoontlik om hulle gesien te kry en ek moet dit maar vergeet. (TK, kranten)

e. Dat mens so lank met iemand kon saamleef en nog steeds nie genoeg tyd gehad het om hom ten volle geken te kry nie. (TK, romans)

In constructiegrammaticale termen kunnen we het zo voorstellen dat de Nederlandse resultatieve krijgen-constructie nog duidelijker verbonden is met de complex-transitieve constructies met een adjectief of voorzetselgroep waaruit ze is voortgekomen. De Afrikaanse constructie heeft zich in zekere zin losgemaakt van die familie van complex-transitieve constructies en is daardoor compatibel met een bredere set van voltooid deelwoorden, waaronder dus ook voltooid deelwoorden van allerlei atelische predicaten. Merk op dat dat ook impliceert dat Molnárfi's (1995, 1997) dichotomische structurele en semantische onderscheid tussen kry-resultatieven met een direct object enerzijds en kry-resultatieven zonder een direct object anderzijds niet houdbaar is: voorbeelden als die in (21) mogen dan wel formeel transitief zijn, ze laten al evenmin een tweefasige parafrase "Subjek bring teweeg dat Objek ge-X word" toe als de intransitieve voorbeelden in (20). Het ligt meer voor de hand om één constructie te poneren, met, in tegenstelling tot in het Nederlands, een facultatief direct object-slot ([[Subj [kry (Obj) Vpastpart]]) en een meer algemene "erin slagen te"-betekenis die niet noodzakelijk de gedachte aan een toestandsverandering oproept. Hoewel de constructie dus naar alle waarschijnlijkheid al van bij het begin aanwezig was in het Afrikaans, heeft ze zich in het Afrikaans verder ontwikkeld dan in het Nederlands: er heeft verdere semantische verbleking en, daarmee gepaard gaand, host-class expansion plaatsgevonden.9 Het ziet ernaar uit dat de resultatieve constructie in het Afrikaans ook een stuk frequenter is dan in het Nederlands, zoals we van een sterker gegrammaticaliseerde constructie verwachten: in hedendaagse Nederlandse krantentaal stelde Colleman (2015) een genormaliseerde frequentie van 6,5 voorkomens per miljoen woorden lopende tekst vast, terwijl in het Taalkommissiekorpus alleen al de voorkomens met kry in de werkwoordelijke eindgroep die volgens de hierboven beschreven methode werden opgespoord tekenen voor een genormaliseerde frequentie van 8.4 (= 481/57, uitgaand van een totale omvang van 57 miljoen woorden voor het Taalkommissiekorpus). De precieze omvang van dat verschil in tekstfrequentie moet uiteraard nog in meer detail worden onderzocht.

Voor de passieve constructie zien we in zekere zin het omgekeerde: terwijl het krijgen-passief zich in het Nederlands op relatief korte tijd heeft ontwikkeld tot een frequente, breed toepasbare constructie, bevestigen de resultaten van het corpusonderzoek dat zich in het Afrikaans geen vergelijkbare evolutie heeft voorgedaan. De dataset bevat slechts negen voorbeelden die als passief veeleer dan resultatief mogen gelden. Die voorbeelden kunnen in twee groepjes worden ingedeeld. Ten eerste zijn er een paar voorbeelden met typische ditransitieve werkwoorden zoals aanbied, toesê, uitbetaal e.d., dus precies het soort werkwoorden dat in het Nederlands frequent voorkomt in het krijgen-passief, zie (22).

(22) a. Die skrynende in beide gedigte is dat die slagoffers die dood aangebied kry as iets positiefs, 'n geskenk wat deur hul meerderes/meesters spesiaal vir hulle uitgekies is en wat hulle daarom vir hul eie beswil moet aangryp. (TK, studiegids) b. In plaas van beperkte skeepsverkeer met Kanton alleen het die Westerse moondhede vyf vrye "verdragshawens" toegewys gekry. (TK, non-fictie, boeken)

Zulke voorbeelden komen op het eerste gezicht alleen voor in wat formeler taalgebruik: de precieze status en gebruikswaarde ervan in het hedendaagse Afrikaans verdient nader onderzoek, maar het lijkt niet onwaarschijnlijk dat het hier om neerlandismen gaat, typisch voor formele stijl.

De voorbeelden in (23) zijn van een wat ander type, dat beter vergelijkbaar is met een constructie uit het Engels, nl. het gebruik van get als variant van het zgn. "experiencer have": bv. to have/get one's car towed, to have/get one's arm bandaged, enz. (zie over die Engelse constructie bv. McIntyre 2005).

(23) a. In vyfjaar het drie miljoen mense skoon water na hul huise aangelê gekry, twee miljoen mense het elektrisiteit gekry, 10 persent meer mense het telefone gekry en 700 000 nuwe sub-ekonomiese huise is gebou. (TK, non-fictie, boeken)

b. Om jou tjek geweier te kry by Game terwyl jou bank jou verseker daar is voldoende fondse in jou rekening... (TK, kranten)

Een typisch kenmerk van die Engelse constructie, is dat de zin verplicht een element moet bevatten dat coreferentieel is met het subject van get, bv. een reflexief of bezittelijk voornaamwoord; in het Nederlandse kri/gen-passief is dat geen voorwaarde. Ook de Afrikaanse voorbeelden in (23) hebben zo'n coreferentieel element (na hul huise, jou tjek), en dat geldt ook voor de voorbeelden in (24), die het soort informeel taalgebruik vertegenwoordigen dat overvloedig aanwezig is op het Internet (in blogs, discussieforums, enz.). Semantisch-pragmatisch passen de Afrikaanse voorbeelden eveneens in het plaatje van Engels experiencer get, in die zin dat ze uitdrukken dat het subject op de een of andere manier speciaal geaffecteerd wordt door de beschreven gebeurtenis, in positieve of negatieve zin.

(24) a. Ek het klaargemaak met my studies, en ek het my hart êrens langs die pad gebreek gekry. (

b. 'n Vrou van Komatiepoort het haar hare met 'n AK 47 gesny gekry. (

c. Die DA verdien om sy agterwêreld geskop te kry, gegewe die volslae gebrek aan politieke paraatheid! (

Ook de status van dit tweede passieve gebruik van kry + voltooid deelwoord verdient nader onderzoek. Ondanks de formele en semantische gelijkenissen hoeft het niet noodzakelijk zo te zijn dat het patroon als zodanig uit het Engels is overgenomen, al is dat zeker wel een mogelijkheid; voor specifieke collocaties als sy hart gebreek kry, sy agterwêreld geskop kry, enz. is de these van Engelse invloed natuurlijk heel waarschijnlijk, d.w.z. het gaat wellicht om leenvertalingen van resp. to get one's heart broken en to get one's ass kicked.10Hoe het ook zij, beide types van passieve kry-zinnen komen (vooralsnog) slechts zelden voor, zodat veilig besloten mag worden dat het Afrikaans niet over een kry-passief beschikt dat in dezelfde mate geconventionaliseerd is als het Nederlandse krijgen-passief, al zijn de lexicale en grammaticale middelen waaruit zich zo'n constructie had kunnen ontwikkelen zeker aanwezig (d.w.z., kry wordt frequent gecombineerd met een voltooid deelwoord en het subject van kry hoeft daarbij niet tevens agens te zijn van het voltooid deelwoord).11 Hoewel het altijd gevaarlijk is te speculeren over de redenen waarom een of andere in theorie mogelijke taalverandering zich niet heeft voltrokken, ligt het in dit geval voor de hand om een verband te leggen met de grotere aanwezigheid in het Afrikaans van "gewone" indirect-passieve zinnen met word/wees, zoals ook Molnárfi (1995:112) al doet. Tegen die constructie met het recipiens in plaats van het patiens als subject van de passieve zin - zie (25) voor enkele corpusvoorbeelden - wordt in de normatieve literatuur soms bezwaar gemaakt, maar ze is goed ingeburgerd in het hedendaagse taalgebruik (zie bv. Ponelis 1979: 417).

(25) a. Hy word ook 'n sigaar aangebied, maar dit is te flou na sy smaak. (TK, romans)

b. Om die proses so lank moontlik uit te rek, en om seker te maak die slagoffer bly by sy positiewe [...] word hy voortdurend opium gegee. (TK, romans)

Met de opkomst van het indirecte passief, op zich een complex geval van taalverandering dat stof genoeg biedt voor een afzonderlijk artikel, is in het Afrikaans op een andere manier voldaan aan de behoefte aan een constructie die bezits- en andere overdrachten kan voorstellen vanuit het perspectief van de ontvanger.



Van de Nederlandse constructie met krijgen + te-infinitief bestaan er volgens de ANS (1997:1029-32) twee subtypes. Aan de ene kant zijn er zinnen zoals Hij krijgt per maand duizend gulden te besteden, waarvan de betekenis nadert aan "krijgen om te X-en" (i.c. "Hij krijgt duizend gulden om te besteden"). De infinitief kan hier eventueel ook als bijvoeglijke nabepaling binnen de objects-NP worden gezien. Aan de andere kant zijn er zinnen waar krijgen de betekenis "moeten" of "hoeven" heeft; in wat volgt spreken we van het modale subtype: bv. We krijgen wel vaker van die vervelende klusjes op te knappen (= +/- "We moeten wel vaker van die klusjes opknappen"). Een belangrijke beperking is dat bij de infinitief altijd een direct object aanwezig moet zijn: terwijl je in het Engels zowel kunt zeggen I get to see a film als I get to go, is in het Nederlands enkel Ik krijg een film te zien mogelijk, niet *Ik krijg te gaan (voorbeelden uit van der Auwera et al. 2009:289). Dat voorbeeld laat meteen ook zien dat het modale subtype behalve "moeten" ook "mogen" kan uitdrukken. Molnárfi (1995:111) geeft voor het Afrikaans één voorbeeld van een vergelijkbare constructie met kry + te-infinitief, nl. Ek kry hom te sien, en karakteriseert dat als "'n onproduktiewe idiosinkratiese konstruksie" Het is niet meteen duidelijk hoe oud de constructie met krijgen + te-infinitief is. In de (beperkte) dataset van Landsbergen (2009) komt de vroegste attestatie ervan uit 1726. Een bijkomende zoekopdracht in de eerste twee subperioden van het Corpus Literair Nieuwneder-lands (nl. 1600-1650 en 1650-1700; zie over dat corpus Geleyn en Colleman 2015) naar alle vormen van krijgen gecombineerd met te binnen een afstand van maximaal 5 woorden naar links of rechts levert tien resultaten op, waarvan vijf met iets/iemand te vatten krijgen ("iets/ iemand kunnen pakken"), een enigszins atypisch voorbeeld omdat het subject daarin agentief is, in tegenstelling tot in de voorbeelden hierboven. Twee andere voorbeelden zijn:

(26) a. Die Schelmen krygen wyn, en ik kryg vuur te drinken. (1695)

b. ... indien hy haar slegts eenmaal te sien krygt, moet hy zyn moeite, en schoenen dubbeld betaalt agten. (1697)

De conclusie van die diachrone verkenning is dat de constructie in het vroege Nieuwnederlands wel al voorkwam, maar dat de verbindingsmogelijkheden ervan op het eerste gezicht nog beperkt waren.

Om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden in het hedendaagse Nederlands en Afrikaans baseren we ons opnieuw op het SoNAR-corpus en het Taalkommissiekorpus. Via de Afrikaanse zoekopdrachten in (18) hierboven werden meteen ook de voorbeelden met een te-infinitief opgespoord. Voor het Nederlands moest een bijkomende zoekopdracht worden uitgevoerd, waarin het aan krijgen voorafgaande werkwoord werd gespecificeerd als een infinitief, die zelf nog wordt voorafgegaan door te. Ook hier werd nog provisie gemaakt voor een tussenliggend te tussen de infinitief en krijgen (cf. zinnen van het type .om hem te spreken te krijgen), zie (27).

(27) a. ["te"][pos="WW.inf.*"][lemma="krijgen"]

b. ["te"][pos="WW.inf.*"]["te"][lemma="krijgen"]

Na manuele filtering bleven voor het Nederlands 4 446 tokens over van de constructie met krijgen + te-infinitief en voor het Afrikaans 676 tokens van de constructie met kry + te-infinitief. In beide talen zijn de infinitiefconstructies an sich dus frequenter dan de constructies met voltooid deelwoord, maar daar staat tegenover dat de type frequenties veel lager liggen, zie het overzicht in Tabel 2.

Dat betekent dat de infinitiefconstructies een wat ander profiel hebben dan de constructies met voltooid deelwoord uit de vorige paragraaf. In beide talen tekent een handvol lexicale subpatronen voor de overgrote meerderheid van de attestaties: zie Tabel 3, waarin ter illustratie voor zowel de infinitiefconstructies als voor de resultatieve en voor het Nederlands ook passieve constructies met een voltooid deelwoord de vijf frequentste combinaties worden opgesomd met hun geobserveerde frequenties. De derde kolom toont het gezamenlijke aandeel van die topvijf in het totale aantal attestaties: er is op dat vlak een duidelijk verschil tussen de constructies met een voltooid deelwoord als aanvulling en die met een infinitief.

In het onderzoek naar syntactische productiviteit wordt aangenomen dat heel frequente lexicale instantiaties van een constructie weinig of niets bijdragen aan de productiviteit van de schematische constructie: om als productief te mogen gelden, moet een constructie vooral voorkomen met een groot aantal verschillende types, waaronder ook types met een lage individuele tokenfrequentie (zie bv. Bybee 1995:433-35; zie echter ook Barddal 2008:94-96 voor kritische kanttekeningen). Dat is bij de infinitiefconstructies in veel mindere mate het geval dan bij de constructies met een voltooid deelwoord.

De Nederlandse dataset bevat naast vele voorbeelden van sterk gelexicaliseerde combinaties als die in Tabel 3 wel degelijk ook nog een relatief groot aantal hapax legomena: 16 van de 47 types komen slechts één keer voor in de materiaalverzameling, wat toch op een zekere mate van productiviteit wijst. Zie (28) voor enkele voorbeelden, die illustreren dat op zijn minst sommige taalgebruikers over een productief sjabloon [Subj [krijgen Obj te-Inf]] beschikken met betekenis "Subj moet/mag Obj V-en".

(28) a. Zelf vertrok Mary Steenburgen op 19-jarige leeftijd naar New York, waar ze als serveerster de destijds nog jonge steracteur Jack Nicholson te bedienen kreeg. (SoNaR)

b. Te mooi. Zo luidde het oordeel van de meeste regisseurs wanneer Charlize Theron kwam opdagen voor audities. Het Zuid-Afrikaanse fotomodel heeft jarenlang moeten knokken voor haar plaatsje in Hollywood. Haar uiterlijk overschaduwde het acteertalent dat ze maar niet te demonstreren kreeg. (SoNaR)

c. ... een zet die Svesjnikov vorig jaar in Riga te bestrijden kreeg tegen de Est Kulaots. (SoNaR)

In het Afrikaans komt zo'n productieve modale constructie met kry + te-infinitief niet voor: alle resterende types naast de vijf in Tabel 3 zijn ofwel duidelijke voorbeelden van het "iets krijgen om te"-subtype (te ete/drinke/proe kry), ofwel agentieve types (iets uit die kombuis te beredder kry, iets te rowe kry). Wat ook opvalt, is dat in de Afrikaanse constructie geregeld de verbogen vorm van de infinitief wordt gebruikt (te doene/make/ete/... en zelfs te siene kry), een archaïsche vorm die typisch is voor vaste uitdrukkingen (zie Ponelis 1979:247, Conradie 2017); dat past natuurlijk in het plaatje van een onproductieve constructie.12



Een belangrijk inzicht uit de theorievorming over grammaticalisering, is dat het niet zozeer losse woorden zijn die grammaticaliseren, maar lexicale woorden in specifieke syntactische contexten (cf. het bekende citaat uit Lehmann 1992:406: "Grammaticalization does not merely seize a word or morpheme [...] but the whole construction formed by the syntagmatic relations of the element in question"; zie ook Himmelmann 2004:31, Traugott & Trousdale 2013:195230, enz.). De vraag of Nederlands krijgen sterker gegrammaticaliseerd - of meer bepaald geauxiliariseerd - is dan Afrikaans kry of andersom is dan ook niet te beantwoorden, omdat ze op een te generiek niveau is gesteld. Zowel krijgen als kry maken deel uit van verschillende schematische constructies met een infiniet werkwoord als aanvulling: sommige van die constructies hebben zich in het Nederlands verder ontwikkeld dan in het Afrikaans, bij andere is het andersom. Twee van de constructies die hierboven aan bod zijn gekomen, kwamen, op zijn minst in embryonale vorm, al voor in het vroege Nieuwnederlands van de 16de en 17deeeuw, nl. de resultatieve constructie met krijgen + voltooid deelwoord en de constructie met krijgen + te-infinitief. Dat betekent dat de constructionalisering van die patronen al moet hebben plaatsgevonden vóór de aankomst van het Nederlands aan de Kaap en het prille begin van de ontwikkeling van het Afrikaans. De resultatieve constructie met kry+voltooid deelwoord heeft in het hedendaagse Afrikaans een breder toepassingsbereik dan de resultatieve krijgen-constructie in het Nederlands: het proces van "host class"-uitbreiding dat zich vaak voordoet na constructionalisering, is in het Afrikaans verder gevorderd dan in het Nederlands. De constructie met te-infinitief heeft zich dan weer verder doorgezet in het Nederlands, zij het op een wat bescheidener schaal: in het Nederlands wordt die constructie in elk geval door sommige sprekers productief toegepast met een "moeten"- of "mogen"-betekenis, terwijl het in het Afrikaans om een onproductieve constructie gaat die slechts met een handvol werkwoorden voorkomt, vaak ook met idiomatische betekenis (bv. te doen(e)/make/kampe kry met). In het Nederlands heeft zich daarnaast ook een passieve constructie met krijgen + voltooid deelwoord ontwikkeld, die pas rond het jaar 1900 is ontstaan, dus waarvan de constructionalisering heeft plaatsgevonden na de afsplitsing van het Afrikaans, en die nadien een snelle toename in zowel type- als tokenfrequentie heeft vertoond. In het Afrikaans heeft zich geen vergelijkbare evolutie voorgedaan: in tegenstelling tot wat we bij Nederlands krijgen zien, heeft de overgrote meerderheid van de Afrikaanse zinnen met kry+voltooid deelwoord een resultatieve betekenis en zijn passieve voorbeelden erg schaars, al zijn ze niet volledig afwezig. Op die manier heeft het netwerk van krijgen/kry-constructies zich in de twee talen, vertrekkend vanuit dezelfde lexicale en grammaticale middelen, deels verschillend ontwikkeld.

Uiteraard is met deze contrastieve studie niet het laatste woord gezegd over de constructies in kwestie en over de contextuele factoren die in hun ontwikkeling een rol hebben gespeeld. Zo is hierboven al aangestipt dat extra onderzoek nodig is naar de precieze status en gebruikswaarde van de twee marginale subtypes van kry-passieven in het hedendaagse Afrikaans, een thema dat zich goed leent tot enquête-onderzoek. Daarnaast zijn er vooral meer diachrone data nodig, voor het Nederlands maar vooral ook voor het Afrikaans. Het diachrone corpus van Kirsten (2015), dat bestaat uit één miljoen woorden tekst verdeeld over vier subperiodes van een decennium verspreid over de 20ste en vroege 21ste eeuw (nl. 1911-20, 1941-50, 1971-80, 2001-10), blijkt na manuele controle van alle voorkomens van kry en gekry slechts 24 relevante attestaties te bevatten, voor de vier perioden samen: 14 voorbeelden van kry+voltooid deelwoord en 10 voorbeelden van kry + te-infinitief. Dat is uiteraard te weinig om meer zicht te krijgen op, bijvoorbeeld, de chronologie van de expansie(s) bij resultatief kry: wat kwam er het eerst, het gebruik met pseudotransitieve en intransitieve werkwoorden of het gebruik met atelische transitieve predicaten, en wanneer hebben die uitbreidingen zich precies voorgedaan? Voor deze en andere vragen is er een grote behoefte aan een omvangrijker diachroon corpus Afrikaans.



ANS = Haeseryn, W., Romijn, K., Geerts, G., de Rooij, J., & van den Toorn, M.C. 1997. Algemene Nederlandse spraakkunst. Tweede, geheel herziene druk. Groningen: Martinus Nijhoff & Deurne: Wolters Plantyn.         [ Links ]

Barödal, J. 2008. Productivity. Evidence from case and argument structure in Icelandic. Amsterdam: Benjamins.         [ Links ]

Barödal, J. & Gildea, S. 2015. Diachronic Construction Grammar: Epistemological context, basic assumptions and historical Implications. In Barödal, Smirnova, Sommerer & Gildea (reds.), Diachronic Construction Grammar. Amsterdam: Benjamins, pp. 1-49.         [ Links ]

Boas, H.C. & Sag, I.A. (eds). 2012. Sign-Based Construction Grammar. Stanford: CSLI.         [ Links ]

Breed, A. 2012. Die grammatikalisering van aspek in Afrikaans: 'n semantiese studie van die perifrastiese progressiewe konstruksies. Proefschrift Noordwes-Universiteit.         [ Links ]

Broekhuis, H. & Cornips, L. 1994. Undative constructions. Linguistics, 32:173-189.         [ Links ]

Broekhuis, H. & Cornips, L. 2012. The verb krijgen 'to get' as an undative verb. Linguistics, 50:12051249.         [ Links ]

Broekhuis, H. & Corver, N. 2015. Syntax ofDutch. Verbs and Verb Phrases Vol 2. Amsterdam: Amsterdam University Press.         [ Links ]

Broekhuis, H., Corver, N. & Vos, R. 2015. Syntax ofDutch. Verbs and Verb Phrases Vol 1. Amsterdam: Amsterdam University Press.         [ Links ]

Bybee, J. 1995. Regular morphology and the lexicon. Language and Cognitive Processes, 10:425-455.         [ Links ]

Colleman, T. 2009. Verb disposition in argument structure alternations: A corpus study of the Dutch dative alternation. Language Sciences, 31:593-611.         [ Links ]

Colleman, T. 2015. Constructionalization and post-constructionalization: The constructional semantics of the Dutch krjgen-passive in a diachronic perspective. In Barödal, Smirnova, Sommerer & Gildea (reds.), Diachronic Construction Grammar. Amsterdam: Benjamins, pp. 215-258.         [ Links ]

Colleman, T. 2016. Over werkwoordalternanties in de Syntax of Dutch. Nederlandse Taalkunde, 21:242251.         [ Links ]

Colleman, T. & Rens, D. 2016. Het krijgen-passief en de werkwoordelijke eindgroep: Een diachrone voorstudie op basis van Delpher. Papers of the Linguistic Society of Belgium 10.         [ Links ]

Conradie, J. 2017. Inflection and derivation. Taalportaal. [14 december 2017].         [ Links ]

Croft, W. 2001. Radical Construction Grammar: Syntactic theory in typological perspective. Oxford: Oxford University Press.         [ Links ]

De Schutter, G. 1989. Casussen, syntactische functietoekenning en gemarkeerdheid. Antwerp Papers in Linguistics 63.         [ Links ]

Fillmore, C.J. 1988. The mechanisms of 'Construction Grammar'. Proceedings from the annual meeting of the Berkeley Linguistics Society, 14:35-55.         [ Links ]

Fried, M. 2013. Principles of constructional change. In Hoffmann &Trousdale (reds.). The Oxford handbook of Construction Grammar. Oxford: Oxford University Press, pp. 419-437.         [ Links ]

Geleyn, T. & Colleman, T. 2015. De aan-constructie in het 17de-eeuwse Nederlands: Een semasiologische studie. Taal en Tongval, 67:211-245.         [ Links ]

Goldberg, A. E. 1995. Constructions: A construction grammar approach to argument structure. Chicago: University of Chicago Press.         [ Links ]

Goldberg, A.E. 2006. Constructions at work: The nature of generalization in language. Oxford: Oxford University Press.         [ Links ]

Hilpert, M. 2013. Constructional change in English: Developments in allomorphy, word formation, and syntax. Cambridge: Cambridge University Press.         [ Links ]

Himmelmann, N. 2004. Lexicalization and grammaticalization: Opposite or orthogonal? In Bisang, Himmelmann & Wiemer (reds.), What makes grammaticalization? A look from its fringes and components. Berlin: Mouton de Gruyter, pp. 21-42.         [ Links ]

Hoekstra, T. 1984. Krijgen. Linguistics in the Netherlands 1984, 65-72.         [ Links ]

Kirsten, J. 2015. The use of was in Afrikaans passive constructions: a diachronic corpus study. Southern African Linguistics and Applied Language Studies, 33:159-170.         [ Links ]

Kuteva, T. 2001. Auxiliation: An enquiry into the nature of grammaticalization. Oxford: Oxford University Press.         [ Links ]

Landsbergen, F. 2006. Krijgen, kriegen en get: een vergelijkend onderzoek naar betekenisverandering en grammaticalisatie. In Huening, Verhagen, Vogl & van der Wouden (reds.), Nederlands tussen Duits en Engels. Leiden: Stichting Neerlandistiek Leiden, pp. 259-272.         [ Links ]

Landsbergen, F. 2009. Cultural evolutionary modeling of patterns in language change: Exercises in evolutionary linguistics. Utrecht: LOT publications.         [ Links ]

Lehmann, Chr. 1992. Word order change by grammaticalization. In Gerritsen & Stein (reds.), Internal and external factors in syntactic change. Berlin: Mouton de Gruyter, pp. 395-416.         [ Links ]

Lenz, A. & Rawoens, G. 2012. The art of getting: GET verbs in European languages from a synchronic and diachronic point of view: Introduction. Linguistics, 50:1075-1078        [ Links ]

McIntyre, A. 2005. The semantic and syntactic decomposition of get. Journal of Semantics, 22:401-438.         [ Links ]

Molnárfi, L. 1995. Wie kry wat in 'iets gedoen kry'? Oor die resultatiewe kry+Part II-konstruksies in die huidige Afrikaans. Tydskrifvir Geesteswetenskappe, 35:109-127.         [ Links ]

Molnárfi, L. 1997. He gets the problem solved. On the Functional Grammaticalization of get and kry in English and Afrikaans. South African Journal of Linguistics, 15:18-26.         [ Links ]

Newman, J. 2005. Three-place predicates: A cognitive-linguistic perspective. Language Sciences, 27: 145-163.         [ Links ]

Oostdijk, N., Reynaert, M., Hoste, V. & Schuurman, I. 2013. The construction of a 500-million-word reference corpus of contemporary written Dutch. In Spyns & Odijk (reds.,), Essential Speech and Language Technology for Dutch: Results by the STEVIN-programme. Berlijn: Springer, pp. 219247.         [ Links ]

Ponelis, F.A. 1979. Afrikaanse Sintaksis. Pretoria: Van Schaik.         [ Links ]

Taalkommissie van die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns. 2011. Taalkommissiekorpus 1.1. Technical report, Centre for Text Technology, North West University, Potchefstroom, South Africa.         [ Links ]

Tiberius, C. & Schoonheim, T. 2014. A frequency dictionary of Dutch. London: Routledge.         [ Links ]

Traugott, E. C. & Trousdale, G. 2013. Constructionalization and constructional changes. Oxford: Oxford University Press.         [ Links ]

van der Auwera J., Kehayov, P. & Vittrant, A. 2009. Acquisitive modals. In Hogeweg et al. (red.), Cross-linguistic semantics of tense, aspect and modality. Amsterdam: Benjamins, pp. 271-302.         [ Links ]

Van Leeuwen, M. 2006. Een baan aangeboden krijgen? Dat krijg ik nooit gedaan! Een synchroon en diachroon onderzoek naar de gebruiksmogelijkheden van krijgen + participium in het kader van de constructiegrammatica. MA-scriptie Universiteit Leiden.         [ Links ]

Verhagen, A. 2005. Constructiegrammatica en 'usage-based' taalkunde. Nederlandse Taalkunde, 10:197222.         [ Links ]

Vos, M. 2013. Kry ("get")-passives in Afrikaans. A minimalist analysis. MA-scriptie Universiteit Stellenbosch.         [ Links ]




Timothy Colleman is verbonden aan de vakgroep Taalkunde van de Universiteit Gent als hoofddocent Nederlandse Taalkunde. Zijn onderzoek richt zich voornamelijk op de syntaxis en semantiek van grammaticale constructies in het Nederlands en verwante talen, waaronder het Afrikaans. Theoretisch sluit zijn werk aan bij de constructiegrammatica en verwante usage-based benaderingen, methodologisch wordt het gekenmerkt door een corpusgebaseerde aanpak. Hij maakt deel uit van de onderzoeksgroep GLIMS ("Ghent research team on Linguistic Meaning & Structure") en van het Gents Centrum voor het Afrikaans en de studie van Zuid-Afrika.
Timothy Colleman is an Associate Professor in the Dutch section of the Department of Linguistics at Ghent University (Belgium). His research focuses primarily on the syntax and semantics of grammatical constructions in Dutch and related languages, including Afrikaans. This work is informed by key theoretical concepts from construction grammar and related usage-based approaches and is characterized methodologically by the use of qualitative and quantitative techniques for the analysis of corpus data. He is affiliated with the research unit GLIMS ("Ghent research team on Linguistic Meaning & Structure") and with the Ghent Centre for Afrikaans and the study of South Africa.
1 Graag wil ik Gerhard Van Huyssteen en een anonieme beoordelaar bedanken voor hun commentaren bij een eerdere versie van dit artikel. Tevens een woord van dank aan de organisatoren van het congres van de Suider-Afrikaanse Vereniging vir Nederlandistiek in Parys, 28 juni-1juli 2017, waar het hier beschreven onderzoek werd gepresenteerd als keynotelezing, en aan de toehoorders bij die gelegenheid voor hun vragen en suggesties na afloop.
2 Krijgen is het 15de meest frequente Nederlandse werkwoord volgens het frequentiewoordenboek van Tiberius en Schoonheim (2014); kry is volgens de tabel in Breed (2012:127) het 18de meest frequente werkwoord in het Taalkommissiekorpus. In beide gevallen is die telling inclusief erg frequente hulpwerkwoorden als hebben, zijn, worden, enz.
3 Verder is er nog de MA-scriptie van Vos (2013), die specifiek handelt over de constructie in Die meisie is verwurg gekry, dat is de passieve variant van de resultatieve constructie met kry + voltooid deelwoord die uitgebreid aan bod komt in paragraaf 3.
4 Zie ook Verhagen (2005) voor een Nederlandstalige inleiding tot de basisprincipes van de constructiegrammatica.
5 In alle aangehaalde corpusvoorbeelden staat krijgen/kry in het vet en de werkwoordelijke aanvulling, indien aanwezig, in het cursief. De SoNaR-voorbeelden komen, tenzij anders aangegeven, uit het subcorpus krantentaal.
6 Ter illustratie van die lage frequentie: nocht met wonen, noch met werken - volgens de Syntax of Dutch de twee meest gebruikelijke werkwoorden in die constructie met korte infinitief (Broekhuis & Corver 2015:934) - is in het volledige SoNaR-corpus van 500 miljoen woorden lopende tekst ook maar één voorbeeld te vinden (gezocht werd naar voorkomens van een willekeurige vorm van krijgen gevolgd door de infinitief wonen of werken, met maximaal vijf tussenliggende woorden).
7 Het SoNaR-corpus is een groot en stilistisch gedifferentieerd corpus hedendaags geschreven Nederlands, van in totaal 500 miljoen woorden lopende tekst (zie Oostdijk et al. 2013); het werd doorzocht via de Open SoNaR-interface ( Het Taalkommissiekorpus is een referentiecorpus geschreven Standaardafrikaans van om en bij de 57 miljoen woorden lopende tekst (zie Taalkommissie van die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns 2011); het werd doorzocht via het corpusportaal van het Virtueel Instituut vir Afrikaans (
8 Bij de 481 voorbeelden van resultatief kry+voltooid deelwoord zit overigens geen enkel voorbeeld van de passieve constructie uit Vos (2013) (cf. voetnoot 3). Het is niet duidelijk in hoeverre die constructie effectief voorkomt in het natuurlijke taalgebruik.
9 Het voorbeeld met leren in (i) hieronder illustreert nog een andere gebruikswijze van de Afrikaanse constructie die in het Nederlands op het eerste gezicht onmogelijk lijkt: het gebruik met behalve een direct object ook een nominaal indirect object. In het Nederlands kun je wel iets aan iemand geleerd/verteld/verkocht/enz. krijgen, maar ??iemand iets geleerd/verteld/verkocht krijgen is twijfelachtig. Behalve naar intransitieve, lijkt de Afrikaanse constructie zich dus ook te hebben uitgebreid naar ditransitieve contexten. Omdat de dataset maar één zulk voorbeeld bevat, moet echter nog verder worden uitgezocht hoe gewoon dat ditransitieve gebruik is. (i) Woensdaemiddae as looptyd kom, kon sy sien miss Lida was uitgerafel van moegheid. Niks wat sy Boetatjie kon geleer kry nie. (TK, romans)
10 In het Engels is experiencer get een variant van de constructie met have + voltooid deelwoord (zie o.m. McIntyre 2005). Zoals blijkt uit (i) en (ii) komen de vermoedelijke Afrikaanse leenvertalingen dan ook niet alleen met kry voor, maar ook met hê; (i) is een voorbeeld uit de beruchte Antie Mona-rubriek van de tabloid Die Son, (ii) komt van een tweetalig discussieforum voor hengelfanaten en is een reactie op een post waarin een andere gebruiker meldt dat een van zijn hengels gestolen is. (i) Onthou, dis net 'n kwessie van tyd voordat jou meisie die waarheid gaan uitvind [...] Wees 'n man en maak jouself uit die voete. 'n Juweel soos sy verdien nie om haar hart op so 'n vieslike wyse gebreek te nie. (Die Son 22/12/2015) (ii) Ek weet dit is nie lekker om jou goed gesteel te he nie, maar D&%#R dis snaaks. <>
11 Dat ook in het Afrikaans het subject van resultatief kry niet noodzakelijk ook het agens van het ingebedde predicaat is, blijkt onder meer uit de onderstaande corpusvoorbeelden (vgl. met de Nederlandse voorbeelden in 12 hierboven): (i) Miskien juis omdat Kipling - aangevuur deur die toenmalige gees van oorlogsrid-derlikheid - die swaksiende John, wat telkens deur die militêre owerhede afgekeur is, as voetsoldaat aan die front geplaas gekry het deur die geknoei van 'n hoë offisiers-vriend. (TK, kranten) (ii) Inwoners wat 'n tyd gelede gedreig het dat hulle 'n stokkie voor die sakemanne se geldmaakplanne gaan steek, het nou 'n petisie opgestel om die klub se drankaansoek afgekeur te kry. (TK, kranten)
12 De verbogen vormen zijn samen goed voor 148 van de 676 tokens.

Creative Commons License All the contents of this journal, except where otherwise noted, is licensed under a Creative Commons Attribution License